janus

Janus Dousa neemt in de geschiedenis van Noordwijk (en Leiden)  een belangrijke plaats in. Daarvan getuigen de straten die naar hem zijn vernoemd in die plaatsen. Gek genoeg schrijven de Noordwijkers zijn naam als ‘Douza’ met een ‘z’, terwijl Leienaren zijn naam hardnekkig blijven schrijven als ‘Doeza’, dus niet alleen met een ‘z’, maar ook nog eens met ‘oe’. Alleen in Den Haag is nog een ‘Douzastraat’ te vinden (ook weer met een ‘z’), dus om nou te stellen dat Janus wereldberoemd was… Maar goed. Hij had naast de titel  ‘Heer van Noordwijk’ nog een heleboel andere functies. Daarvan getuigt een aan hem gewijd lemma in de Wikipdia:

Janus Dousa, bijgenaamd Pater (‘de Vader’), ook wel Douza; gelatiniseerde naam van Jan van der Does (Noordwijk, 5 december 1545 – aldaar, 8 oktober 1604), telg uit het adellijke geslacht Van der Does, was heer van Noordwijk en Kattendijke, bevelhebber tijdens het beleg van Leiden, humanist, dichter, filoloog, bestuurder en bibliothecaris van de Universiteit Leiden.

Janus Dousa studeerde in Leuven (1562), Dowaai (1563-1564) en Parijs (1564-1566). In Parijs studeerde hij onder anderen bij Jean Dorat (Johannes Auratus), die ook de leermeester was van veel leden van de dichtersgroep De Pléiade. Van hen leerde Dousa er een aantal kennen en hij sloot in Parijs ook vriendschap met de Vlaming Lucas Fruterius, de Engelsman Daniel Rogers en de Duitser Paulus Melissus.

Terug in Holland trouwde hij in 1566 met Elisabeth van Zuylen van der Haer (‘Ida’ in zijn gedichten). Hij kreeg met haar twaalf kinderen, acht zoons en vier dochters. Als eerste werd Janus in 1571 geboren, die dezelfde naam had als zijn vader en daarom wel Filius (‘de zoon’) als bijnaam kreeg. Van de kinderen haalden er negen de volwassen leeftijd. Zij staan afgebeeld op het grote familieportret van 1590/95 dat nu in Stedelijk Museum De Lakenhal te Leiden hangt. Bij Dousa’s overlijden in 1604 waren er echter nog maar vier kinderen in leven: Steven (of Stephanus), Anna, Frans (of Franciscus) en Dirk (of Theodorus), blijkens het feit dat alleen zij genoemd worden in het testament.

Dousa maakte deel uit van het Eedverbond der Edelen. In 1572 werd hij als speciale afgezant naar koningin Elizabeth I van Engeland gestuurd. In hetzelfde jaar verhuisde het gezin Dousa van Noordwijk naar Leiden, toen het kustgebied te onveilig werd door het optreden van de Watergeuzen. Leiden werd twee keer belegerd door de Spanjaarden, in 1573 en 1574. Bij het tweede beleg was Dousa bevelhebber. Het uiteindelijke ontzet van Leiden in oktober 1574 was een hoogtepunt in zijn leven.

Na de overwinning op de Spanjaarden mocht Leiden van Willem van Oranje een universiteit stichten. Dousa maakte deel uit van de voorbereidingscommissie. Na de stichting in februari 1575 bleef hij de rest van zijn leven deel uitmaken van het driekoppige college van curatoren. In 1585 werd hij ook benoemd als de eerste bibliothecaris van de universiteit. Het was aan Dousa te danken dat de grote geleerde Justus Lipsius zich in 1579 aan de Leidse universiteit verbond. Na diens vertrek in 1591 lukte het Dousa in 1593 Josephus Justus Scaliger, die werd beschouwd als de grootste geleerde van zijn tijd, uit Frankrijk naar Leiden te halen.

Als Latijns dichter debuteerde Dousa in 1569 met een bundel Epigrammata (Epigrammen), jeugdpoëzie die veelal naar het voorbeeld van Martialis was gemaakt. Na het Leids ontzet kwam Dousa in 1575 met zijn belangrijkste Latijnse dichtbundel, de Nova Poemata (‘Nieuwe gedichten’). Een jaar later volgde een tweede, flink vermeerderde uitgave. Deze gedichten hebben voor een groot deel betrekking op het beleg van Leiden en de erop volgende stichting van de universiteit. In veel gedichten volgt Dousa het voorbeeld van de oden van de Latijnse dichter Horatius. Dousa was ook een belangrijke stimulator voor dichters: hij zette onder andere Hugo de Groot, Dominicus Baudius en Daniël Heinsius aan tot het schrijven van Latijnse poëzie.

Met de stadssecretaris van Leiden Jan van Hout, die Dousa tijdens het tweede beleg van Leiden goed leerde kennen, deed Dousa ook stappen in de richting van een Nederlandstalige poëzie naar klassiek voorbeeld. De twee vertaalden onder meer de Basia (‘Kussen’) van Janus Secundus in het Nederlands (van de 19 gedichten zijn er 18 bewaard, waarvan 16 vertalingen van Dousa en twee van Van Hout). Dousa zou ook Daniël Heinsius stimuleren tot het schrijven van Nederlandstalige poëzie. Rond 1600 wisselden de twee wederzijdse lofdichten uit in het Nederlands.

In 1585 werd Dousa benoemd tot geschiedschrijver van de Staten van Holland als opvolger van Hadrianus Junius. In hetzelfde jaar echter maakte hij ook deel uit van een gezantschap naar Engeland. Met twee anderen moest Dousa een tijd in Engeland blijven als een soort onderpand voor het verdrag dat gesloten was. Samen met Dominicus Baudius verbleef hij onder anderen bij Philip Sidney. In 1586 publiceerde hij zijn dichtbundel Odae Brittanicae (‘Brittannische oden’).

Zijn geschiedwerk had vooral betrekking op de graven van Holland. Hij gebruikte als bron onder meer de Rijmkroniek van Melis Stoke. Hij schreef ook een voorwoord in de uitgave van deze kroniek door Hendrik Laurensz. Spiegel in 1591. Bij de geschiedschrijving werkte Dousa voor een groot deel samen met zijn zoon Janus Dousa Filius. Deze overleed echter in 1596. Het geschiedwerk publiceerde vader Dousa eerst in een metrische versie, Annales (1599), en vervolgens in proza, Bataviae Hollandiaeque Annales (‘De Annalen van Batavië en Holland’, 1601).

Inmiddels was Dousa in 1591 benoemd als lid van de Hoge Raad van Holland en Zeeland, waarvoor hij naar Den Haag moest verhuizen.

Hij overleed in 1604. Dousa werd begraven op zijn heerlijkheid in Noordwijk. In de Grote of Sint-Jeroenskerk aldaar bevindt zich een Douza-monument uit 1792 met zijn portret. In 1609 verzorgde Petrus Scriverius een uitgave van zijn Latijnse gedichten: Poemata Pleraque Selecta.

Het grafmonument in de Grote of Sint-Jeroenskerk ziet er indrukwekkend uit:

cccc

Advertenties