“De dood of de gladiolen”. De uitdrukking klonk altijd het mooist uit de mond van wielrenner Gerrie Knetemann, maar waar die uitdrukking vandaan kwam, wist hij zelf waarschijnlijk ook niet. Een partijtje googelen leert dat het allemaal teruggaat naar de Romeinse tijd. Romeinse gladiatoren, c.q. soldaten zouden na een nederlaag de eer aan zichzelf willen houden en zelfmoord plegen met behulp van hun ‘gladio’ (Latijns voor ‘zwaard’). “De dood of de gladiolen” bevat dus geen tegenstelling, zoals Knetemann waarschijnlijk vermoedde, maar een nevenschikking. Het resultaat was in beide gevallen even slecht.
 
Verders wordt op internet verteld dat de gladiool staat voor ‘kracht’ en wordt gememoreerd dat mensen die de Vierdaagse van Nijmegen uitlopen gladiolen krijgen aangeboden (omdat die bloem toevallig dan in bloei staat). En verders is ‘gladiool’ in Utrecht en omstreken een scheldwoord (‘ááógtulukku glááódiol’)
 
Wat er ook van waar is allemaal. Ik ken de gladiool als een product van Noordwijkse bollenboeren. Er was zelfs een grote proeftuin (Salman!), waar hele nieuwe soorten werden ontwikkeld. Maar de meeste bollenboeren beperkten zich tot de meest gangbare soort, de “Johann Strauss”. Blijkbaar was dat de meest gemakkelijke. Van de knol werden kralen gewonnen, die in het nieuwe seizoen vervolgens als zaaigoed weer de grond ingingen, net zolang totdat ook die kralen zich weer tot volwaardige knollen hadden ontwikkeld.
 
Aan het begin van de zomer stonden ze in bloei en werden de bloemen gesneden en naar de veiling gebracht. Het snijden was een vreselijke klus: diep buigen, oppassen dat je de punt van de bloem niet in je ogen kreeg. Tien bloemen met een touwtje eromheen wogen al zwaar. Ik herken alles weer als ik dit plaatje zie van een nijvere, ééneiige vijfling.  

Advertenties